“Tsjonge das mie ook ain laang ding”

Auteur: Riemer veldkamp

Het was in de begin jaren 60, wij, samen met mijn zusje en ouders uiteraard, woonden toen in de Coranthijnestraat in de stad Groningen, ik was nog maar een kereltje van een jaar of vijf, zes en vond die grote rode bussen die onze straat voorbij reden maar wat interessant. Regelmatig zag ik ze dan ook voorbij rijden over de Oosterhamriklaan alwaar ter hoogte van de Surinamestraat de eindhalte was.
Samen met mijn vriendjes waren we daar bij die bushalte dan ook regelmatig te vinden. Natuurlijk niet alleen maar om die bussen af en aan te zien rijden, nee dat niet, maar het ging ons er voornamelijk ook om, de buschauffeur te vragen naar de buskaartjes, de buschauffeur begreep destijds precies wat we bedoelden het ging uiteraard om die lege buskaart boekjes waar vanaf de kaartjes welke volgens mij toen een kwartje kosten werden afgescheurd. Telkens als er dan weer een bus bij de halte aankwam en de voordeur werd dan open gedaan wist de buschauffeur al wel dat wij om die lege boekjes vroegen. Opvallend was ook de geur die uit de bus kwam, wanneer de deuren werden open gedaan een geur die je eigenlijk nooit meer kwijtraakt, de ene keer was het diesel vermengd met de geur van de leren bekleding van de stoelen, de andere keer de bedompte lucht wanneer het had geregend en de bus vol met mensen had gezeten. Geuren die ik vele jaren later weer rook toen ik zelf chauffeur was op zo’n prachtige rode bus.
Regelmatig kreeg ik dan ook weer die flashbacks en had toen nooit kunnen bevroeden dat ik zelf ooit eens buschauffeur zou worden op zo’n schitterende mooie rooie bus.
Zo herinner ik mij ook de allereerste keer dat ik, na de opleiding te hebben gehad van George Bekius, voor het eerst samen met mijn leermeester Albert Schra passagiers mocht gaan vervoeren. Pfff dat was zweten, maar wel ontzettend stoer, ik in zo’n grote bus, volgens mij was dat bus 9 of 7, althans het was een Leyland, regelmatig keek dan ook even in de spiegels en dacht dan bij mijzelf, tsjonge dat is mie ook ain laang ding.
Uiteindelijk nadat ik bijna werd vrijgelaten door Albert Schra en alleen zo’n mooie bus mocht gaan besturen voelde ik mij de koning te rijk, lekker bus rijden en daar ook nog geld voor krijgen.
Nu vele jaren later nadat ik in 1985 mijn laatste rit met zo’n prachtige rooie GVB bus had gemaakt en 1 werkgever verder kriebelde mij het enorm om al mijn oud collega’s eens weer te zien, wat is er van hun geworden, rijden ze nog op de bus, of zijn ze al gepensioneerd of in het kwaadste geval leven ze überhaupt nog.
Tijdens het organiseren van de reünie werd ik er steeds meer mee geconfronteerd dat er inmiddels al heel veel van mijn oud collega’s niet meer zijn, collega’s die veel jonger waren dan mij maar ook ouderen, en dan sta je wel even weer met beide pootjes op de grond en denk je bij jezelf “Riemer tel je zegeningen” dat ik het geluk nog heb om dit allemaal nog te mogen meemaken.
Maar ja het leven gaat door en die collegae die ons hopelijk ruimschoots voor zijn gegaan zullen altijd in onze herinneringen blijven bestaan en zullen nooit worden vergeten.
Welnu, om al die leuke maar ook minder leuke herinneringen weer eens te kunnen en mogen delen met ex collegae en hun anekdotes/herinneringen te horen leek het mij leuk om samen met het geweldige team van Stichting Skopje Harkstede een reünie te organiseren voor al die chauffeurs/monteurs/magazijnmedewerkers/kantoorpersoneel van het voormalige Gemeentelijke Vervoer Bedrijf. (GVB). Zoals het nu al lijkt blijkt deze reünie inderdaad een schot in de roos te zijn geweest want samen met mij zijn er al heel veel ex collegae die zich hebben ingeschreven voor de Reünie op 21 oktober in Harry’s Café te Engelbert.

Met de buurman krielkippen halen!

Auteur: Roelof Rodenhuis

Toen de kinderen nog klein waren en wij net verhuisd waren naar de Patrijspoort, wilde ik wel krielkippen hebben om de tuin voor mij te onderhouden. Ik kwam om van de “mier” in de tuin en daar zijn kippen gek op . Dus een nachthok in de schuur; een steen uit de muur gehaald en buiten een buitenren  gecreëerd. Toen dat na alle tevredenheid gedaan was, moest er een moment gekozen worden om op jacht te gaan naar kippen. Zegt een buurman van mij: (die brillenboer is: vertegenwoordiger) “Ga met mij mee. Ik moet deze week Drenthe in en we komen vast wel boerderijen tegen met een bord in de tuin waarop “Kippen te koop”.”  

Zo gezegd zo gedaan. Wij van de ene plaats naar de andere plaats en nergens een bord met daarop “Kippen te koop”. Het liep al tegen vijven en nog geen kippen. Ik zeg tegen mijn buurman “We gaan naar huis, het is mooi geweest”. Omdat de buurman uit het westen kwam wist hij hier heg nog steg. En ik heb hem uit moeten leggen waar we langs moesten. 

Dat werd een route binnendoor, van Veendam via Borgercompagnie naar Sappemeer. 

Vlak voor de weg naar het spoor zag ik het bord “Kippen te koop”. 

“Draai hier maar het erf op buurman, we gaan het meemaken”. 

Achter de boerderij was men druk aan het werk, ze keken op toen wij de vraag stelden of er nog kippen te koop waren. Die hadden ze inderdaad nog, maar geen krielkippen. 

Je moet bij de buurman hier links zijn, die heeft wel krielkippen. Zelf had hij van die grote Barnevelders. Opgetogen vanwege het goede nieuws, gingen we toch nog maar even bij de buurman kijken. Hij zag ons al aan komen en kwam gelijk naar buiten met de vraag wat wij kwamen doen. “Ik wil graag krielkippen” zei ik  “en ik hoorde van je buurman dat jij die hebt”. Hij bevestigde dit. “Hoeveel?” vroeg hij. “Tien stuks” zei ik “er moet ook een haan bij”. 

Dat moest hij eerst nog uitzoeken. Terwijl hij daarmee bezig was stelde ik de vraag of hij nog andere zaken te koop had. “Je kan de hele handel wel overnemen, want ik hou er mee op”. antwoordde hij. “Wat heb je dan allemaal?” vroeg ik weer. “Wel een bus vol gereedschap, 

een aanhangwagen, twee varkens en een geit”. “Wat moeten die varkens kosten?” vroeg ik. “Vijf gulden per stuk” zei hij . Ik zei: “Laat die kippen maar lopen, ik kom morgen wel weer”. 

Ik neem een collega mee die wel belang heeft bij het gereedschap.” Zo gezegd zo gedaan. 

We groetten de man en gingen naar huis . Na het eten belde ik Jos Hofman op met de vraag of hij ook belangstelling had voor gereedschap. “Natuurlijk,” zei Jos, “wat is het allemaal?” 

Van spijkers en schroeven tot boormachines aan toe, hand gereedschap in overvloed. “Wanneer ga je er weer heen?” “Morgen middag” zei ik. “Dan ga ik met je mee, dan moet mijn vrouw mij maar ziek melden.” Ikzelf had vroege dienst. De volgende morgen mij gemeld aan de Akkerstraat en wie loop ik tegen het lijf? Chauffeur 48, u weet wel, die man met het rode haar. “Moi Rodenhuis, ik heb zin om vanavond de barbecue in de brand te steken. Er komt wat visite en ik heb net een nieuwe.” “Dat komt mooi uit” zei ik. “Ik heb twee varkens voor jou.” “Twee varkens, wat mot dat kosten?”  “Omdat jij het bent vijf gulden per stuk.” “Jij houdt mij voor de gek” zei hij. “Dat bestaat niet.”   “Aljan”, zei ik,  “als jij ze niet neemt dan neem ik ze.” “Verkocht” zei hij. “Wanneer ga je daar naar toe?” “Vanmiddag, Jos gaat ook mee, allemaal gereedschap, vandaar. Maar niet lullen want hij meldt zich ziek.” “Ohhhh, wordt het toch nog gezellig” prevelde Siekman. “Welke dienst heb jij?” Ik zei: ” Ik ben om 13.00 uur vrij. Dan ga ik naar huis en haal de aanhanger op en rij dan naar jouw huis en van daaruit naar Jos.”  Afgesproken en een ieder ging zijn dienst draaien. Het was druk in de stad . Om vijf over één draaide ik de Oude Ebbingestraat in. Gauw aflossen en dan naar het Noorderstation en naar huis. Thuis aangekomen gauw even omkleden, kop thee en de aanhanger achter de wagen, een groet en ik was alweer onderweg naar Aljan. Daar aan gekomen liet hij mij de barbecue zien. Het was een grote. Daar kon wel een zwien op. “Groot genoeg,” zei Siekman, “hier kan wel een weeshuis van eten. Wij hebben een grote familie vriend,” zei hij “we gaan.” 

Op naar Jos. Daar aangekomen was er een discussie  tussen de heer en de vrouw des huizes. Jos zijn vrouw wilde hem niet ziek melden, dat moest hij zelf maar doen. Jos greep de telefoon en meldde zich ziek. “Rijen” zei Jos. En daar gingen we. Op naar Sappemeer. Daar aangekomen hebben we ons gemeld bij de boer en liepen wij al pratend de schuur in. Jos ging meteen met die boer onderhandelen over het gereedschap en hij liep met hem van de ene plek naar de andere. Aljan werd ook al branderig die wilde meteen de varkens bezichtigen. 

“Kalm aan” zei de boer. “Eerst het ene en dan het andere.” Jos keek zijn ogen uit. Hij wist niet waar hij het eerst moest beginnen. Hij wilde een andere afspraak maken met de man, want hij had een bus nodig en die moest hij lenen van zijn broer. Dat was geen probleem. En we werden verzocht om de boer te volgen naar een grotere schuur, waar Aljan zijn varkens rond daasden door het hok. Het waren net Pitbulls, ze vlogen je aan. Hoe nu? 

“Wat hebben die varkens een vreemde kleur en wat zijn ze klein, wat zijn dat voor varkens?” riep Siekman. “Chinese hangbuikvarkens” riep de boer. “Kan je die wel eten?” ging Siekman verder. “Er is nog nooit een mens aan doodgegaan” zei het boertje. “Je moet niet zeuren anders eet ik ze zelf op.” zei hij. “Voor dat geld kan je nergens terecht.” “Maar ohhh hoe krijg ik die in de aanhanger?” jammerde Siekman weer. “Ik heb wel touwen, daar moet je een lasso van maken en  die gooi je om zijn nek. Twee stuks en dan hou je de touwen strak, zodat ze nergens heen kunnen.” De mannen legden een lus in het touw, zwaaiden ermee als een cowboy en gooiden het touw richting de varkens. Maar je bent maarzo geen cowboy. 

Beiden gooiden mis en de varkens zetten de oorlog in en vlogen Jos aan. Jos was met drie grote passen bij een spant en klom er in . En schreeuwde dat Siekman die varkens weg moest halen. “Nou, dat dacht ik niet,” zei hij. “Ik laat me niet opvreten.” De boer pakte een hek en dreef de varkens in een hoek zodat ze nergens heen konden. Nu was het een peulenschilletje om de touwen aan te leggen. De touwen mochten we houden en Aljan betaalde de boer een tientje. De varkens in de aanhanger, de kippen in dozen, die er ook bij en vervolgens afgerekend. We stapten in de auto waarop Jos zei: “We kunnen bij mijn dochter wel koffie drinken, dat is niet zo ver hier vandaan.” “Wat is niet ver?” hoorde ik iemand brommen. “Veendam” zei Jos, “kwartiertje rijden.” “Ohhh, niet te lang hoor!” zei Siekman,

“ik krijg visite.” Op naar Veendam. “Hier is het” zei Jos, “stop hier maar bij dat huis. Mijn dochter is beheerder van het dierenasiel, misschien heeft ze het druk dan gaan we gelijk weer weg.” Jos was nog niet eens uitgesproken of de deur zwaaide open. “Hallo pa, wat brengt jullie hier? Dag Roelof, zie ik jou ook eens weer?” “We hebben gereedschap gekocht en twee varkens, Chinese hangbuikvarkens.” zei pa. “Waar heb je die dan?” vroeg zij. “In de aanhanger.” was het antwoord. “Heb je de koffie al bruin?” vroeg Jos. “Daar ben ik wel aan toe. Wat een dag.” In de kamer aangekomen bleken er twee heren te zitten. Voordat die  wilden zeggen wie ze waren, begon Aljan het verhaal van de varkens te vertellen in geuren en kleuren. En dat ze hun einde op de barbecue kregen bij hem thuis.  De mannen keken hem aan en zeiden dat ze van de dierenbescherming waren. Hij werd lijkbleek. Hij verontschuldigde zich en zei dat het een geintje was. En dat die boer met pensioen ging. Dat hij de varkens naar een kinderboerderij wilde brengen zodat ze ook een mooie oude dag zouden krijgen. Maar de mannen waren nog niet tevreden en gingen naar buiten. Wij achter ze aan. Ze zaten aan de klep te morrelen om die open te maken. “Laat maar zitten” zei ik.  “Als ze er hier vandoor gaan zijn we verder van huis.” “Ik kan jou wel een paar bekeuringen geven.” zei de man, “je hebt geen vergunning en de aanhangwagen is er niet voor ingericht.” “Ochhh,” zei Siekman “nu doen we eens iets goeds, door ze naar de kinderboederij te brengen en worden we zo gepakt. En ehhh we moesten zo nodig naar je dochter om koffie te drinken. Nog geen druppel gehad.” Waarop Jos zijn dochter zei: “Kom we gaan naar binnen en praten daar verder.” 

Onder genot van een kop koffie vertelde zij waarom de heren er waren. Er was het weekeind het één en ander voorgevallen op het asiel. Een hond was ernstig ziek, daarom werd de dierenarts gebeld. Hoogezand had weekeind dienst, maar die verrekte het om naar Veendam te komen. En daarvan had ze een klacht ingediend bij de dierenbescherming, met alle gevolgen van dien. Maar dat gesprek met de heren liep voordat wij kwamen al op zijn eind. 

Zij waren al van plan om op te stappen toen wij er aan kwamen. Als Aljan niets over de varkens had verteld dan had er geen haan naar gekraaid. De ene heer zegt tegen de andere: “Wat moeten we met de heren?” waarop hij zei tegen Aljan: “Wat gaat er gebeuren met de varkens?” “Nou, dat heb ik toch al verteld, de kinderboerderij.” “Dus als ik morgen ga kijken dan lopen zij daar rond?” “Jawel hoor, we brengen ze straks direct heen” “Dan laat ik jullie lopen, op die voorwaarde.” 

De heren gingen weg en wij ook. Op naar de stad. Ik ben nog maar net aan de rit of Jos kraait alweer: “Ik moet ook nog even bij mijn dochter in Hoogezand aan. Dat duurt niet zo lang.” zei hij. “Wat moet je daar weer?” zei Siekman. “Even wat afgeven.” zei hij. 

Onder het rijden door was ieder in gedachten verzonken. Na een poos zei Siekman: “Het zit me toch niet lekker, als die knakkers er toch morgen heen gaan zijn we de lul. Ik denk dat ik ze toch naar de kinderboerderij breng. Dat risico is mij te groot.” 

We draaiden de straat in waar Jos zijn andere dochter woonde.  “Ze zit in de tuin.” zegt Jos. “Daar bij die parasol maar even stoppen.” Het was een nieuwbouwwijk. Overal zaten de vrouwen met hun kleintjes in de tuin, heerlijk in de zon. Er was nergens een hoge afscheiding tussen de tuinen. De coniferen waren dertig centimeter hoog. Je zag alle schoonheid van moeder natuur. Jos zijn dochter kwam ons al tegemoet. “Heb je de sleutel pap?” zei zij.  

“Ja die heb ik.” zei Jos en overhandigde haar die. “Wat zijn jullie aan het doen?” was haar volgende vraag.  “Een beetje handel ophalen,” zei Jos. “Varkens, kippen en morgen moet ik er weer heen om gereedschap op te halen.” “Laat mij eens zien.” kirde zij en liep al naar de aanhanger. Morrelde aan het deksel en tilde die op. De varkens staken meteen de koppen naar buiten en schreeuwden  moord en brand. Dat gaf zoveel lawaai dat de moeders de kinderen bij elkaar gristen en naar binnen vlogen. Dat was een komisch gezicht. Jos vertelde haar het hele verhaal van wat zich had afgespeeld die middag. “Moeten jullie nog wat drinken?” vroeg ze ons. “Even gauw mannen.” kraaide Siekman. “Ik wil ook naar huis, ik moet nog van alles doen.” “Rustig aan Aljan, Rome is ook niet in één dag gebouwd.” zei Jos zijn dochter. 

Snel een glaasje fris achterover geslagen, afscheid genomen en op naar Groningen. Bij Jos thuis aan gekomen zei zijn vrouw: “Je moet direct Hoogezand bellen.” “Waarvoor?” zei Jos. 

“Ze willen die varkens kopen.” zei zijn vrouw. Jos meteen bellen en ik hoorde hem zeggen: “Daar ga ik niet over, die zijn van Siekman. Aljan telefoon voor jou.”  Of hij de varkens wilde verkopen. “Jawel”, zei die rooie, “vijftig gulden. Maar kom ze maar eerst eens bekijken, want het zijn Chinese hangbuikvarkens.” “Maak mij niets uit, vijftig gulden hé. Ik kom er aan, ben met een half uurtje bij jullie.” Dat was ook zo, hij heeft gereden als een gek. Stormde naar binnen en zei: “We gaan meteen naar het slachthuis, ik heb al gebeld.” Er was namelijk een bekende van ons (een broer van een collega) die dienst had op het slachthuis en die zou op ons wachten. “Maar luister nou even” zei Siekman, “hier krijgen wij stront mee. Ik heb die kerels beloofd dat ik die varkens naar de kinderboerderij breng en als ze toch gaan kijken ben ik de lul.” “Hé vriend,” zei Jos zijn schoonzoon, “een deal is een deal.” en drukte Aljan vijftig gulden in zijn hand. “We gaan nu naar het slachthuis.” In de auto zei de man met het rode haar: “Dat heb ik toch wel mooi verdiend, je hoeft er niets voor te doen.” Aangekomen bij het slachthuis stond onze slager al te zwaaien naar ons. Maar de portier zwaaide ook dat we moesten komen. “Rijen!” zei Jos “Dat kan straks wel die portier.” En we reden door. 

“Zet de aanhanger zo neer, dat als ze er uitspringen, zij hier in dit hok terecht komen.” zei de slager. De klep ging omhoog en ja hoor, ze sprongen in het hok. De eerste liep zo de slagerij binnen en nummer twee kreeg een zetje en al gierend ging die ook naar binnen. Ik hoorde gehijg achter me. Daar stond de portier te vloeken en te tieren het was malle Douwe. 

Die verdiende de kost om het vee uit de vrachtwagens naar de veemarkt te brengen.  

Af en toe mocht hij in de portiersloge zitten als er niets te doen was. Dan voelde hij zich de directeur. “Jullie mogen niet door rijden als ik jullie wenk. j

Je moet nog betalen.” “Wat krijg je Douwe?” “Wat hebben jullie hier gebracht?” vroeg hij. 

“Een varken.” zei Jos zijn schoonzoon. “Dat is dan vijf gulden.” zei Douwe. “Heb je van duizend terug Douwe?” vroeg hij. “Nee dat heb ik niet, doe het dan een andere keer maar.” zei Douwe en ging weer naar zijn kantoor. Wij naar binnen en je gelooft het niet; ze hadden hun jasjes al uit. Jos zijn schoonzoon wilde die rakkers meteen weer meenemen, maar dat ging niet door. Ze moesten op het slachthuis overnachten. Afsterven heet dat en de volgende dag werden ze gekeurd. Wij naar huis, de heren afgeleverd, Siekman als laatste en bij het uitstappen mompelde hij “Kan de visite wel afbellen, ik heb het nu eventjes gehad en als je weer iets weet dan houd ik mij aanbevolen. Moi hé.” “Het beste maar weer.” zei ik. 

Twee dagen later kom ik Siekman tegen. Hij zegt: “Heb je het al gehoord?” “Wat?” vroeg ik.  “Hebben ze gekeken bij de kinderboerderij? Ben je het haasje?” “Nee man, dat niet. Hij heeft de varkens opgehaald en heeft gisteravond een paar karbonaadjes op de barbecue gelegd. Toen die klaar waren waren ze niet te vreten. Het waren twee beren. Je kon ze twee straten ver ruiken. Hij belde mij op om te zeggen dat ik hem had verneukt. Hij wou zijn geld wel weer terug. Geintje, zei hij, ik heb ze door verkocht aan een buurman voor honderd gulden. Ben ik er toch nog beter van geworden.” Aljan baalde als een stekker want hij had dat ook wel willen hebben. 

Maar hoe dan ook……… mijn krielkippen hebben het overleefd!!!

En dat was waar het uiteindelijk om ging!  

De schoorsteen moet roken en de auto moet weer terug.

Auteur:  Roelof Rodenhuis

“Rodenhuis kom eens.” Dat was Jan de Weert die dat riep. Ik liep naar voren. Jan is controleur, dat kon je ook wel zien. Hij was blij met zijn pak. Hij was alle dagen bezig met het oppoetsen van zijn uniform, tenslotte was hij ook beroeps militair geweest. Maar eerlijk is eerlijk, hij liep er altijd piekfijn bij. De pet altijd op de zelfde plaats op zijn hoofd. De klep diep over de ogen. En dat maakte indruk. Ik stapte zijn kantoor binnen en vroeg wat er gaande was. Ik dacht dat ik een ritje moest doen, tenslotte had ik reserve die dag. 

Maar nee hoor hij zocht gezelligheid. “Ga zitten,” zei hij tegen mij, “de avond wil maar niet opschieten. Dan kunnen we een beetje praten.” Ik dacht: “wees op je hoede” want Jan was altijd van het type: “Jongens die hier niets te maken hebben naar achteren, het is hier geen kantine.” Maar hij was goed gemutst. Jan vertelde mij dat hij een nieuwe auto had gekocht. 

Ik zei: “Wat voor één Jan?” “Een Ford Taunus,” zei Jan. “Ik krijg hem over drie week.” 

“Wat voor kleur Jan?” vroeg ik weer. “Een blauwe”, was het antwoord. Hij vertelde het hele verhaal over wat hij had bedongen en wat hij voor die ouwe terug kreeg. Ik zei tegen hem dat hij wel handelsgeest had. 

Hij begon gelijk te glunderen. Ik zat gebeiteld. Jan gaf het gesprek een andere wending. 

Hij zei: “Klopt het dat je een openhaard hebt gebouwd in je huis?” Ik bevestigde zijn vraag. “Dan heb ik terzijner tijd hout voor je. Ik heb geregeld bij de campingbeheerder dat ik een paar bomen weg mag halen. Die benemen mij veel zon, vandaar. Ik ga er één dezer dagen  mee beginnen, het moet allemaal na het werk hé. Want ik heb ook nog een huishouding erbij, boodschappen doen, enz.” Jan zijn vrouw was blind. Dat kwam door een ziekte die ze gehad heeft. Ik antwoordde: “Geef maar een seintje. Ik heb een kettingzaag en ik zaag het in mootjes, je kan het zo ophalen.” Hij keek op de klok en zei: “Er zal wel niets meer gebeuren, pak maar een reserve bus en ga maar naar de garage en dan maar naar huis.” Dat was niet tegen dovemans oren gezegd. Ik groette Jan en ging ervandoor. De bus even aftanken en tevens gevraagd waar die moest staan. De nieuwe Remise, daar moest hij staan. 

En dan naar huis toe.

Ruim 5 a 6  Weken later:  

“Ach, ik moet jou net hebben,” zei Jan de Weert. “je kan het hout ophalen, het ligt klaar. 

Kom Zaterdag maar, dat is het beste.” “Hoe laat?” vroeg ik hem. 

“Negen uur.” was het antwoord. “Ben ik er.” antwoordde ik. 

Thuis gekomen heb ik ruimte gecreëerd waar het hout opgestapeld kon komen te liggen. 

Mooi achterin de tuin, zo voor het grijpen. Tegen Anneke zei ik dat we zaterdag op tijd boodschappen zouden moeten doen, omdat ik zaterdag het hout moest halen. “Nou dat hoeft niet, als jij zaterdag Brian mee neemt dan red ik het alleen wel.” zei zij. Zo gezegd zo gedaan.

Zaterdag op tijd eraf, onder de douche met Brian, in de kleren, broodje gegeten en we zaten om acht uur in de auto, op naar Zuidlaren. Even voor negen draaiden we de camping op. 

Ik zag nergens hout liggen, Ik dacht dat ik het misschien niet goed begrepen had. 

Ik had begrepen dat hij zei: “Het ligt bij de poort.” Er liep een campinggast; daar aan gevraagd waar Jan de Weert stond met zijn caravan en die wees me de weg. 

Jan was al buiten aan het rommelen en begroette mij en aaide Brian over z’n hoofd. “Zo, moet jij papa meehelpen vandaag?” zei hij grijnzend tegen Brian. Brian kroop achter mij weg en zei niets. “Koffie Roelof?” vroeg hij mij, waarop ik die vraag bevestigde. Jan schonk de koffie in en tijdens het inschenken daarvan staken er twee koppen om de hoek van de deur. Collega’s, wel te verstaan. “Schenk nog maar twee in.” Zeiden ze. Ik dacht:  “Wat krijgen we nou?” Langzaam steeg bij mij een vermoeden op . “Je word belazerd,” dacht ik “en die jongens ook.” Voordat ik iets kon zeggen zeiden zij: “Waar ligt het hout Jan? Want we hebben nog meer te doen.” Dat was voor mij een bevestiging dat we belazerd werden. Het was even een fractie van een seconde stil. “Drink eerst jullie koffie maar eens op dan zal ik het jullie laten zien.” De koffie was snel genuttigd en we gingen opgetogen weer naar buiten op weg naar het hout. We liepen achter de Caravan langs waar een sloot was en op het eind van de sloot was een andere sloot die er haaks op stond. Aan de overkant was een terrein waar stacaravans stonden. 

“Hier is het,” zei Jan de Weert, “deze en die boom moeten weg.” Ik ontplofte zowat. “Die gereformeerde hond.” dacht ik . “Wat ben jij een misotter.” zei ik. “Het hout zou klaar liggen bij de poort en er ligt niets klaar.  

Een gereformeerde rotstreek” zei ik. “Als ik dit geweten had dan had ik mijn zoon thuis gelaten. Wat moet zo’n kind hier nu bij doen? Een handenbinder, daar zit ik nu mee. 

Je wordt bedankt!” “Ik heb nooit gezegd dat het hout klaar zou liggen bij de poort.” 

“Jan je moet niet lullen,” zeiden de collega’s, “dat heb je ook tegen ons gezegd. Roelof heeft wel gelijk en je hebt ook niet verteld dat hij hier zou zijn.” “Nou” zei ik, “hij heeft ook niet verteld dat jullie hier zouden komen. En dat opgestapelde hout heeft hij voor een paar maanden terug al aan mij gegeven. Zo word je verneukt.” Maar iets in mij zei mij dat er iets op komst zou zijn. De nieuwsgierigheid wint in dit geval, dus ik bleef. “Geen gelul verder, zeg maar hoe je het hebben wilt.” “Eerst de touwen aan elkaar knopen.” Zei hij en legde een gesplitste platte knoop. “Je hebt zeker bij de padvinderij gezeten Jan.” Zei één van de jongens. Jan kreeg al weer kleur en zei vol trots dat hij dat in het leger had geleerd. Jan trok de uitschuifbare ladder  zover mogelijk bij de boom omhoog en wij legden de laatste platte knopen in het touw. Althans, wat er voor touw moest doorgaan, want het was niet veel soeps. “Heb je geen beter touw Jan?” vroeg ik. “Nee,” zei Jan “dit is wel goed.” “Oké, jij zegt het.”

zei ik. “Wat gaan we nu doen?” “Ik ga de boom in,” zei Jan “en neem het touw en de kettingzaag mee, laat het touw vallen nadat ik het vast gemaakt heb en jullie gaan aan dat touw trekken, die kant op waar jullie vandaan gekomen zijn, want ik wil die boom daar hebben” “Dat is vijfenveertig graden om, dat lukt je nooit. Ik denk dat die boom door zijn gewicht boven op die stacaravan dondert.” riep ik Jan toe. 

“Daar heeft die meneer gelijk in Jan,” zei een mede kampeerder die uit nieuwsgierigheid kwam kijken. “Wij hebben het daar gisteren ook al over gehad. Je zal het beleven man, dat wordt een ramp.” “Dat valt wel een beetje mee.” Zei Jan en begon het touw om de boom te leggen. 

“Dat touw moet hoger Jan, je bent nog niet eens over de helft van de boom. Zo krijg je die boom nooit op de plaats waar jij hem wilt hebben.” “Dat kan wel zo!” snauwde Jan terug. Door dat geschreeuw duurde het maar even en de tribune zat vol. Jan werd al nerveuzer, zei dat het touw vast zat en hij ging zagen. “Dit wordt oorlog!” schreeuwde nog iemand vanaf de tribune. “Als die boom op de caravan dondert, dan heb je de poppen aan het dansen. Want die Veendammer is niet makkelijk.” Jan gaf gas en de kettingzaag zong het hoogste lied. Er kwamen nog een paar sterke mannen bij om ook mee te trekken aan het touw. En Jan maar zagen, het duurde een eeuwigheid voordat hij de sleuf aan onze kant eruit had. Dat had hij ook niet van zichzelf. Maar wat daarna gezaagd werd wel weer. 

De zaag jankte er over en vol gas liet hij het zaagblad de boom in wandelen. Het duurde minuten voordat de zaag over het dooie punt heen was en eindelijk kwam er “muziek” uit de boom. 

Hij begon al een beetje  te zwiepen en Jan bleef maar zagen. Wij met z’n allen aan het trekken. De boom begon al een buiging te maken. Ik dacht bij mijzelf: “Het gaat hem toch nog lukken.” Plotseling werden we met een paar man naar achteren gezwiept.  Het touw was gebroken, de laatste man aan het touw viel over de dissel van een caravan. 

Doordat hij op de grond lag, struikelden nog twee over hem heen. Een daverend lawaai maakte zich van de stilte meester. Geluid van gebroken takken. Een harde klap, het getjilp van weg vliegende vogels en daarna werd het bijna rustig. Alleen Jan de Weert maakte nog wat lawaai met zijn kettingzaag, die liep nog stationair daar in wat er nog van de boom over was. Ik keek richting de caravan, daar was niets meer van over. Totaal los. 

De halve boom lag niet op, maar in de caravan!!! Het was net een volière. Het hele meubilair aan gort. Het servies kon de klap ook niet verdragen. Kortom alles aan gort. 

Jan zette de zaag stil en kwam van de ladder af, schudde met zijn hoofd en ging naar zijn caravan. Door het lawaai is ook de terreinbeheerder in actie gekomen en zocht Jan. “Waar is Jan?” vroeg hij. “Die is naar zijn caravan gegaan.” was het antwoord. Hij er ook naartoe. 

“Nou dat heb je toch maar mooi voor elkaar Jan,” zei hij. “Ik heb je nog zo gewaarschuwd en anderen ook. Nu zit je met de gebakken peren. Dit kost geld vriend, ik ga de caravan eigenaar in Veendam bellen. 

Maak de borst maar nat, die is hier zo, daar kan je gif op innemen.” 

Ik dacht bij mij zelf: “Wat moet ik hier nog, ik ga naar huis.” Zo gezegd zo gedaan. 

Ik scharrelde Brian op, die met andere kinderen aan het spelen was en daar gingen we. 

Thuis aangekomen direct Jacob Ploeg gebeld; “Ja met Hilda” (de vrouw van Jacob) hoorde ik een stem aan de andere kant. “Met Roelof hier, is Jacob er ook?” 

“Ja die staat onder de douche, kan ik wat doorgeven?” vroeg zij. “Ja als je wilt dan graag. Er is een boom op een caravan terecht gekomen die door Jan de Weert is omgelegd, dat ging helemaal fout. En aangezien Jacob voorzitter is van de camping bel ik jullie. Tjonge jonge, ik heb hem nog zo gewaarschuwd. De hele camping heeft hij tegen zich in het harnas gejaagd.” “Wie is dat?” hoorde ik op de achtergrond. “Dat is Roelof en die vertelde mij dat er een boom door Jan de Weert is omgezaagd en op de caravan van die Veendammer terecht is gekomen; totaal los.” zegt Roelof. 

Inmiddels hoorde ik Jacob zijn stem door de telefoon. Hij vroeg mij of ik het verhaal nog eens wilde vertellen en dat deed ik. “Nou dat is niet best.” zei Jacob. “Geen kapvergunning, iedereen mocht nog geen takje snoeien en door jarenlang onderhoud op de camping, door Jan de Weert uitgevoerd, mocht hij die bomen platleggen op eigen risico. Hier komt stront van.” zei Jacob. 

Ik ga er meteen naar toe. Bedankt voor het belletje.” zei hij en hing op. 

Dagen later sprak ik Jacob en die vertelde mij dat het goed uit de klauwen was gelopen daar op de camping. Hij zei: “Jan de Weert is er nog lang niet klaar mee. De verzekering ligt dwars en het kon wel eens rekening man worden.” 

Weken later hoorde ik dat dat ook het geval was. 

Het vervelende was dat Jan zijn nieuwe auto moest afzeggen om zijn buurman tegemoet te komen. En voor mij; de schoorsteen heeft wel gerookt, maar niet van Jan zijn hout.

Stampij op de kalkoenen boerderij! En afrekenen doe je in het afrekenlokaal! 

Auteur: Roelof Rodenhuis

Het werk zit er op voor snelle Jelle. Snelle Jelle is de hofleverancier van vele kuikens die bij de Fam Meijer op de boerderij in het Drentse heuvellandschap vertoefden. Hij was niet content met wat hem was overkomen. Hij was uitgerangeerd. En dat is balen. Kalkoenenboer Meijer had zonder overleg met hem nieuwe snelle jongens laten aanrukken die dan het werk van hem overnamen. Hij mocht lijdzaam toezien wanneer ze op het terrein zo af en toe een dame verwenden. En dat allemaal in een afgesloten ruimte met uitloop. Ja, ja Meijer liep in die tijd voorop met zijn dieren. Scharrel kalkoenen zogezegd. Maar daar had snelle Jelle niets aan, alle dagen niets te doen; dan duurt een dag lang. Af en toe liet hij zich gelden als er wat dames langs zijn hok wandelden. Dan zette hij een keel op en liep helemaal rood aan, zolang duurde die uithaal. Hij viel zowat om. Hij blies zich helemaal op. Zijn veren geweldig uiteen gespreid en dan leek hij veel groter dan hij al was. En hij was groot! Maar liefs 22 kilo was Snelle Jelle, schoon aan de haak. Snelle Jelle kreeg een andere bestemming, hij moest geduld hebben.

“Goedemorgen heren.” Zei Cor Meier en vervolgde:  “Dienst 9.” “In orde” hoorde je de controleur zeggen. “Mannen,” zei Cor, “ik heb hier lijsten voor liefhebbers die met de kerst kalkoen willen eten.” “Wat kosten ze?” vroeg er iemand. “Dat hangt van het gewicht af,” zei Cor, “maar door elkaar heen zijn ze 4 kilo voor 15 gulden per stuk. Wil je meer gewicht dan zet je dat op de lijst.” Nou er werd meteen ingetekend door collega’s. De deur van de gang zwaaide open en klapte met een vaart tegen de muur. “Hé, kan dat ook anders?” zei de controleur. “De kalk springt van de muur.” Kees Bernardus stoof naar binnen,  groette de collega’s, maar hoorde tegelijk het verhaal van de kalkoenen. Hij richtte zich tot Cor en vroeg hem of hij een grote kalkoen kon leveren. Het antwoord was: “Ja.” “Ik moet de grootste hebben” zei Kees, “hoeveel weegt die?” “Twintig kilo.” zei Cor. “Noteer maar,” zei Kees, “ik wil hem wel levend.”  En Cor zette hem op de lijst en hing de lijst op het prikbord. De andere lijst was voor de Grote Markt. 

Het liep al aardig naar de kerstdagen toe en op de prikborden hingen de lijsten met de mededeling wanneer de kalkoenen opgehaald konden worden i.v.m. de diensten.

Het was zover; Cor moest voor Kees Bernardus een aparte rit maken aangezien ook Kees in de volle continu zat. Het was druk in het afrekenlokaal en bij de controleurs toen hij binnen stapte. Hij zeulde een grootte mudzak achter zich aan. En jawel hoor, je kon snelle Jelle horen. Die zat gedurende de hele Hondsrug route al in die zanderige aardappelzak te protesteren. 

“Wat heb je daar in die zak?” zei iemand die schijnbaar niets meegekregen had van de kerstkalkoenen. “Een kalkoen, één voor Kees Bernardus.” “Slacht Kees die zelf?” vroeg hij. “Geen idee.” was het antwoord en hij liep terug naar de auto om die weg te zetten. “Doe die zak eens open!” riep er iemand. “Ik wil die joekel wel eens zien.” Voordat hij uitgesproken was bungelde het touwtje naast de zak. Snelle Jelle strekte zich eens uit, de zak gleed langs zijn heupen. Hij keek verwaand om zich heen en stapte uit de zak. Enkele collega’s deinsden achteruit bij deze imposante aanblik. Snelle Jelle moet wel gedacht hebben, “Zijn dat die figuren die mijn vrouwtjes met de Kerst in de oven bruin laten worden?” 

Hij werd wild, alleen al bij die gedachte. Hij zette een keel op en liet een geweldige uithaal horen. Tevens startte hij het onderstel en met gierende poten en geklapper van vleugels, steeg hij omhoog. Na een paar meter sloeg hij rechtsaf het afrekenhok binnen. Diverse collega’s moesten niets van Snelle Jelle z’n kunsten hebben en vlogen er vandoor. Snelle Jelle plofte tegen Harry Nieuwenhuis zijn kantoor aan. Die gevel was voorzien van glas met een doorgeef luikje erin, waar wij onze plateaus met muntgeld en papiergeld doorheen konden schuiven. Harry schreeuwde nog harder dan snelle Jelle en gelastte de chauffeurs dat snelle Jelle op moest krassen. Nou dat hoefde hij geen twee keer te zeggen, want Snelle Jelle ging uit zichzelf opnieuw in de startblokken. Zette het onderstel in beweging en rende over de betaal plateaus heen. Caramboleerde tegen de muur en belandde opnieuw op de plateaus. 

De collega’s vlogen ook alle kanten op. Enkele bleven bij hun positieven en gingen op de grond het geld bijeen rapen. Door al dat gedoe was Snelle Jelle nog niet klaar met ons en deed een nieuwe poging om ons te verwennen. Hij vloog nog eens rond en begon ook nog eens te sproeien. De collega’s die op de grond zaten om het geld bijeen te rapen, kregen de volle laag. Gevloek en getier vierde de boven toon. Nieuwe plateaus vielen op de grond,  gerinkel van  muntgeld en geritsel van papiergeld waren de geluiden hierbij. En als je goed rond keek en de neuzen telde, kwam je al gauw op zo’n tien chauffeurs die moesten afrekenen en waarvan nu het geld overal op de grond lag. En bij elkaar opgeteld kom je gauw in de buurt van een slordige fl.1500 gulden wat Snelle Jelle heeft rond gestrooid. Daar kwam Cor Meijer aan en zag nog net hoe snelle Jelle ineen zakte langs de muur. Hij was uitgeteld. Cor haalde de zak op en begon die over snelle Jelle heen te schuiven. En voordat die besefte wat er met hem gebeurde zat het touwtje al weer om de zak. Nou toen kwamen de verhalen los.  De een ging zijn geld tellen, de ander ging zijn overhemd schoonmaken en weer anderen maakten de controleur stapelgek omdat ze niet op tijd konden vertrekken. De controleur deelde de reserve chauffeurs in om de klap op te vangen. De telefoon rinkelde, dat was het kantoor op de Grote Markt met de vraag waar lijn 3 en lijn 8 bleven. Die waren in aantocht zeiden ze hier aan de telefoon. “En laat lijn 3 niet naar Selwerd rijden maar gelijk weer terug naar Corpus den Hoorn, dan kunnen de mensen nog met de trein.” zei men hier. “En laat lijn 1 via het hoofdstation naar Helpman rijden.” “Goedemorgen heren.” hoorden we. Het was Kees, die kwam Snelle Jelle ophalen.  “Wat is hier toch gebeurd?” zei hij. “Ooooch dat had ik wel mee willen maken.” zei hij, nadat hij het verhaal gehoord had. “Waar is die Kalkoen nu,?” vroeg hij. “Met Cor mee naar de nieuwe remise.  Hij zal daar nog wel zijn.” “Koffie Kees?” vroeg iemand van de continu aan hem. Maar Kees had geen tijd, die moest meteen weer met de kalkoen opstap. Naar het katholiek Leven in de Moesstraat bij Jan en Eke. Daar werd Snelle Jelle ontdaan van zijn kledij. Hij kreeg een kerstpak aan en werd volgestouwd met speklappen van binnen tegen zijn ribbenkast en toen opgevuld met gehakt. Daarna verdween hij in de koelkast. Maar intussen bleef het een rommelige dag op de Grote-markt. Men bleef elkaar aflossen, er waren jongens die naar huis moesten om schone kleren aan te trekken enz, na die wraakactie van snelle Jelle. Voor mij was dit een geweldige dag.